Bevrijdingsdag, vrijdag 5 mei 2017. Gisteravond zijn we met velen naar de man van Vught gelopen, in een Stille Tocht van de Bergeonstraat naar Frederica’s Hof. Daar legden we bloemen neer en luisterden naar de toespraak van burgemeester Hans Romeyn. Hij sprak over het thema dat het comité 4-5 mei voor de jaren 2016 tot 2020 heeft gekozen: ‘Geef vrijheid door’.  Dit jaar lag de nadruk daarbij op de kracht van het persoonlijke verhaal. Verhalen als het dagboek van Anne Frank of de belevenissen van de Soldaat van Oranje en natuurlijk de persoonlijke verhalen van mensen in je omgeving die de oorlog zelf hebben meegemaakt.

    “Het was een indrukwekkend gebeuren gisteravond”, zegt Alie Schaap. Zij heeft met haar collega-bloemendame even pauze genomen. Samen met Romano en Faeqah maken ze vandaag de nieuwe bloemstukken voor het priesterkoor en de zij-kapellen. Nu is het tijd voor een kopje koffie, gastvrij geserveerd door Andraník. Het gesprek komt op de Tweede Wereldoorlog. Beide dames maakten die heel bewust mee. Alie was 7 jaar toen de oorlog begon.

    “Je bent op die leeftijd heel nieuwsgierig en je merkt van alles op. Toch durf je er nauwelijks iets over te vragen, ook niet aan je ouders en je vertelt nooit aan anderen over wat je allemaal ziet. Ik weet nog goed dat ik op een dag mijn grote broers zag rijden met kruiwagens vol aarde. Ze hadden een plank op de hoge stoep van het huis gelegd en kwamen met de kruiwagens door de voordeur naar buiten. Ik snapte er helemaal niets van. Waar hadden we in huis zoveel grond?

    Ik wilde door het raam naar binnen kijken, maar ik was klein van stuk en kwam niet boven de vensterbank uit. Toen bedacht ik een plan. Ik zocht een hark en harkte daarmee de kiezels die in de voortuin lagen bij elkaar. Toen de hoop hoog genoeg was ging ik er op staan en kon ik net naar binnen kijken. Mijn verbazing was groot! De salontafel was opzij geschoven en het vloerkleed opgerold. De vloer was opengebroken en er gaapte een enorm gat. Die avond was er van de hele operatie niets meer te zien, maar al die oorlogsjaren bleef onze voorkamer een mysterieuze plek: wat lag daar toch verborgen onder de salontafel?

    Pas na de oorlog durfde ik er naar te vragen. Het bleek te gaan om het jachtgeweer van mijn vader. Hij had een jachtvergunning en twee geweren. Aan het begin van de oorlog moesten alle wapens op last van de bezetter worden ingeleverd. Mijn vader bracht keurig zijn geweer naar het bureau, maar verborg het tweede exemplaar. Na de oorlog kwam het, zwaar verroest, onder de salontafel vandaan. Het was onbruikbaar geworden, maar de bezetter had er tenminste ook niets aan gehad!”

Marieke Hoetjes