“Jij gaat hier vast wel weer een stukje over schrijven, is het niet?”, vraagt een reisgenote in lijn 9 mij. Ik beloof haar dat ik het in ieder geval zal proberen.

    Zojuist zijn we aangekomen op het Centraal Station in Amsterdam. We hebben met zijn éénendertigen de tram gepakt en bijna allemaal hebben we een zitplaats kunnen bemachtigen. Het is op zaterdagochtend tegen tien uur nog erg rustig in de stad. De Dam ligt er verlaten bij en op het Rembrandtplein is nog geen enkele terrasstoel bezet. Zo rijden we in sneltramvaart naar onze bestemming bij halte Kruislaan aan de Middenweg: begraafplaats De Nieuwe Ooster.

    Bij de ingang staan tal van agenten van politie en andere dames en heren in uniform opgesteld. Blijkbaar is er een collega overleden en wachten zij op de komst van de rouwwagen. In Café Roosenburgh, een warme en lichte ontvangstruimte, is op onze komst gerekend. Aan een lange tafel staat voor ieder een kopje klaar en er is volop koffie en thee. Het uitzicht vanuit dit gebouw op de brede toegangspaden en het overvloedige groen is schitterend. Na enige tijd zien we de verwachte rouwstoet langskomen. De geüniformeerde dragers escorteren in gelijke pas de rouwauto.

    Voor onze groep zijn intussen twee gidsen gearriveerd die ons gaan begeleiden in het museum ‘Tot Zover’, dat direct naast het café ligt. Onze gids begint haar rondleiding in een zaal met zeven doodskisten. In de kisten zijn attributen te zien die gebruikt worden bij uitvaartrituelen van de verschillende bevolkingsgroepen van Amsterdam. De Joodse en de Islamitische traditie staan, zo blijkt, wat dit betreft heel dicht bij elkaar. Over de katholieke traditie vertelt de gids een mooi, maar tamelijk gedateerd verhaal. Soms wordt ze door één van ons gecorrigeerd: “dat was zestig jaar geleden zo….” . In de Chinese traditie krijgt een overledene van alles mee in de kist, eten, kleding, zelfs een telefoon voor de reis door de geestenwereld. De Creoolse uitvaart is uitbundig. De nabestaanden zijn in het wit gekleed, de kist wordt zig-zaggend gedragen om de boze geesten op een dwaalspoor te brengen en er is muziek, zang en dans. Bij de Hindoestaanse uitvaart wordt de dode bij voorkeur gecremeerd en wordt de as in zee uitgestrooid. In de zevende kist wordt een ‘eigentijdse’ uitvaart getoond. Een uitvaart die niet verloopt volgens vaststaande religieuze of culturele rituelen, maar die door de overledene zelf van tevoren tot in de puntjes geregisseerd is.

    Op onze tocht door het museum komen we allerlei verwachte en onverwachte zaken rond dood en uitvaart tegen. Een collectie doodsportretten en -maskers en een serie stolp-urnen van beeldend kunstenaars, maar ook verschillende ‘haarwerken’, schilderijtjes vervaardigd met het haar van een overledene. Toppunt van die laatste collectie is een boeket gemaakt van haar, uit 1871, uitgestald in een vitrine van houtsnijwerk. Terug in het café worden we getrakteerd op een uitstekende lunch, die we, ondanks het voorgaande, toch met smaak verorberen. En we krijgen papieren zakken om de overgebleven broodjes mee te nemen.

    In kleine groepjes gaan we vervolgens de uitgestrekte begraafplaats op. Je zou er meerdere dagen rond kunnen ronddwalen. Er staan zoveel bijzondere monumenten: de marmeren grafmonumenten van zigeunerfamilies, de graven van bekende Nederlanders, de kindergraven, het islamitische grafvak. Bovendien  groeien er 750(!) soorten bomen op deze 30 hectare dodenakker. Gigantisch grote bruine beuken en platanen, 32 verschillende eiken en 57 verschillende esdoorns, maar ook een Zakdoekjesboom, Doodsbeenderenboom, Wateriep, Tulpenboom, Zwepenboom en de Walnoot.

    Na deze wandeling gaat een aantal deelnemers nog door naar het park Frankendael. Wij stappen, vol indrukken, weer op lijn 9, voor de terugreis door de inmiddels superdrukke stad Amsterdam. 

Marieke Hoetjes